Een korte rondgang - Het Parlement van de Franstalige gemeenschap van België – Het Parlement van de Franstaligen van Wallonië en Brussel

De «Koninklijke Wijk» – een architecturaal geheel dat in opdracht van de regering werd gebouwd

De Koninklijke Wijk is al eeuwen lang een gouvernementele en institutionele wijk, aangezien zij steeds de zetel van het provinciebestuur is geweest, eerst van de Brabantse, daarna van de Bourgondische en Habsburgse en vandaag van de Belgische provincies.

In het hart van deze wijk is in het 'Hôtel de Ligne' en het 'Hôtel du Greffe', dat vroeger onder de naam Torrington bekend stond, de zetel van het Parlement van de Franstalige gemeenschap van België ondergebracht. Door deze plaats te kiezen zet deze communautaire instelling dus een eeuwenoude traditie voort.

In de Zennevallei, waarschijnlijk op het Sint-Gorikseilandje, werd eerst een primitief castrum gebouwd, maar door de evolutie in de bouw van vestingwerken, de stedelijke ontwikkeling, de bevolkingsgroei en de komst van middenstanders en handelaars zijn de heren van Brussel op de heuvels van de stad gaan wonen. Op de Koudenberg werd een eerste kasteel gebouwd. Vanaf de XIIIe eeuw werd dit nieuwe gebouw de favoriete trefplaats van het Hof. Geleidelijk aan werd de Koudenberg de zetel van de centrale regering, waar alle overheidsdiensten en instellingen werden samengebracht en waar de nieuwe adel heen trok.

Toen onze streken bij het Huis van Bourgondië werden ingelijfd en Filips de Goede naar Brussel kwam, werd een tweede paleis gebouwd en het belendende park vergroot. Aan het einde van de XVIe eeuw bestond dit paleis uit vier grote woongedeelten die rond een grote binnenplaats (de Aula magna) werden gebouwd. Het gebouw, dat achter een grote esplanade lag die door een monumentale balustrade werd afgesloten (het Balieplein), lag tevens midden in een domein: de Warande (een oud Vlaams woord voor een konijnenbos of een jachtgebied).

Tot in 1731, ondanks de rampzalige periode die op de troonsbestijging van Filips de Tweede volgde, bleef het Hof van Brussel steeds in het oude paleis van de hertogen van Brabant zetelen. Maar in de nacht van 3 op 4 februari van dat jaar werd het gebouw door een brand verwoest. Ondanks allerlei wederopbouwplannen bleef het gebouw leegstaan tot in 1769, het jaar waarin opnieuw aan de herinrichting van het Balieplein werd gedacht. Maar het was pas in 1772, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de regering van Karel van Lotharingen, dat de Staten van Brabant besloten een standbeeld op het Balieplein op te richten en het in een architecturaal geheel op te nemen. In 1775 nam de architect Guimard de leiding van de werkzaamheden op basis van de tekeningen en plattegronden van Barré. Deze twee architecten drukten een neoklassieke stempel op het geheel. De Franse architectuur uit die tijd werd immers door die stijl overheerst. Alle gebouwen werden op dezelfde manier behandeld, zodat een geheel gerenoveerde wijk ontstond die door een regelmatige plattegrond, gelijksoortige gevels en een perfecte symmetrie werd gekenmerkt.

Tegelijkertijd werd het Park eveneens opnieuw ingericht (werkzaamheden van 1775 tot 1787) met de bedoeling de stad van een openbare promenade te voorzien die de vorm van een vierkant aannam met het park als centrum. Deze promenade werd begrensd door vier straten met drie verdiepingen hoge gebouwen erlangs die in Franse steentinten werden bepleisterd en beschilderd: de huidige Koningsstraat, Wetstraat, Hertogsstraat en het Paleizenplein.Het 'Hôtel du Greffe' – Drie herenhuizen in de Wetstraat die door L.-B. Dewez achter gevels van Guimard werden ingericht.

De gevels van de Koninklijke Wijk werden vóór de verkoop van de erachter liggende verkavelde terreinen gebouwd.

In de Brabantstraat (de huidige Wetstraat) verliep de verkoop langzaam en de abdij van Affligem deed een bod voor de aankoop van drie percelen die links van de Hoge Raad van Brabant lagen. In de koopakte stond dat men vlug een groot, indrukwekkend herenhuis moest bouwen dat door twee kleinere huizen in de lage vleugels werd geflankeerd. Aan de kopers werd een grote vrijheid gelaten op voorwaarde dat de gevels in dezelfde stijl werden opgetrokken.

De drie door de abdij gebouwde panden hebben verschillende bestemmingen en interieurs gekregen al naar gelang de functie die de eerste bewoners bekleedden.

Het pand met de indrukwekkendste gevel (vandaag Wetstraat 6) draagt de naam 'Hôtel Torrington'. Het rechts daarvan gelegen pand heeft een lage gevel met drie ramen en een prachtige koetspoort met kolommen en een attiek; het werd door de weduwe Verseyde de Varick bewoond, voordat het bij het Parlement (senaat) werd ingelijfd. Het linkse herenhuis was zeer klein maar had een mooie koetspoort en een raam dat een grote, achter de gevel gelegen kamer verlichtte. De heer Aguilar heeft dit huis waarschijnlijk alleen als dienstwoning gebruikt.

Het 'Hôtel Torrington', dat vandaag 'Hôtel du Greffe' heet, hoorde lang bij de senaatsgebouwen en werd door deze instelling in beslag genomen. Vanaf 1975 wordt het uitsluitend door de Cultuurraad van de Franstalige gemeenschap gebruikt. Het huidige Parlement van de Franstalige gemeenschap Wallonië-Brussel was te krap gehuisvest en heeft in 2001 een deel van zijn diensten naar het onlangs opnieuw ingerichte 'Hôtel de Ligne' verhuisd.

In de schitterende zalen (de voormalige appartementen van Lord and Milady Torrington) op het adres Wetstraat 6 zijn de kantoren van de President en de Secretaris-generaal van het Parlement van de Franstalige gemeenschap en diverse overheidsdiensten ondergebracht.Het 'Hôtel de Ligne' – Vanaf het ontstaan tot de installatie van de Franstalige gemeenschap Wallonië-Brussel.

Het 'Hôtel de Ligne' is een herenhuis dat op de hoek van de Koningsstraat en de Koloniënstraat ligt. Het maakte aanvankelijk deel uit van een complex dat in het bouwplan dat Guimard voor de Koninklijke Wijk heeft uitgewerkt was opgenomen. Van de drie huizen achter een enkele gevel, die de gravin de Lannoy in 1779 aankocht, tot het huidige pand is het gebouw verschillende keren verbouwd. De muurdecoratie van de prestigieuze ontvangkamers heeft echter sinds 1897, het jaar waarin het pand door de familie de Ligne werd overgedragen, geen enkele wijziging ondergaan.

Het herenhuis heeft verschillende eigenaars gehad (de graaf de Lannoy, de baron van Heckeren van Enghuizen, de graaf de Villegas de Clercamp) tot de aankoop in 1836 door de prins Eugène de Ligne, de achtste afstammeling van dit geslacht. Deze heeft er een gerenoveerd en verfraaid herenhuis van gemaakt, dat van een gloednieuwe staatsietrap werd voorzien en talloze wijzingen heeft ondergaan. Tot de bezienswaardigheden van het pand horen de zogenaamde 'Pompejaanse' salons, een reeks zalen die van wondermooie muurschilderingen, vergulde versieringen, bewerkte lambriseringen en kristallen luchters werden voorzien. Het gele salon (waarvan de wandbetimmering taferelen uit de oorlog van Troje vertoont, het vergulde salon (dat aan Apollo en de Kunstallegorieën is gewijd) en het groene salon of het aan Neptunus gewijde voorportaal zijn prachtig gelambriseerde kamers die vandaag tot commissie- of receptiezalen en prestigieuze salons werden verbouwd.

Bij het overlijden van de prins de Ligne en zijn vrouw werd het herenhuis verkocht aan de Brusselse Trammaatschappij die er haar hoofdkantoor en een aantal winkels in onderbracht. In 1900 verkocht zij een eerste deel, dat uitkomt op de Koningsstraat, aan de 'Société française de Banque et de Dépôts' en tien jaar later een tweede deel, toen de Koloniënstraat werd aangelegd. Toen de firmanaam in 1975 werd gewijzigd, werd het gebouw in 1991 eigendom van SA Réalia, een bouwmaatschappij van het concern. Door de koopakte van 2 april 1998 neemt Immomils SA-Louis de Waele Development het pand van SA Réalia over.

Het 'Hôtel de Ligne' – Kroniek van een renovatie.

Sinds het ontstaan van de communautaire volksvertegenwoordigingen (1971-1972) moesten de parlementsleden institutionele gebouwen gebruiken die voor andere doeleinden waren bestemd. Zo gebruikte het Parlement van de Franstalige gemeenschap gebouwen van de senaat. Door het plaatsgebrek, de verschillende zittingstijden van de Senaat en het Parlement van de Franstalige gemeenschap en de versnippering van de diensten moest er naar een andere oplossing worden gezocht. Deze moest in de buurt van het 'Hôtel du Greffe' liggen, dat men wenste te behouden.

De overname van het 'Hôtel de Ligne' door Immomils SA-Louis de Waele Development was een buitenkansje, aangezien deze bouwmaatschappij het pand tot kantoren wilde verbouwen en een koper zocht. Dankzij de SMAP, die het herenhuis aankocht om het aan het Parlement te verhuren, met de mogelijkheid het later aan hem te verkopen, werd er een financiële oplossing gevonden.

Het renovatieproject werd toevertrouwd aan A.2R.C ('Architecture et construction entre rêve et réalité'), het architectenbureau van Michel Verliefden en Brigitte d'Helft dat net voor het Brussels Parlement had gewerkt. Dit bureau kwam met een ontwerp dat het beste compromis vormde tussen behoefte aan ruimte, technologie, esthetiek en gezelligheid, technische en stedenbouwkundige regels en de instandhouding van onder monumentenzorg geplaatste elementen.

De functionarissen van het Parlement wilden namelijk de volgende elementen in het bestek opnemen: een helder amfitheater dat boven alles uitsteekt, parkeergelegenheid, vergaderzalen voor de vier politieke groeperingen, ontvangstruimten, een beveiligd intern verkeers- en communicatiesysteem, een toegangsmogelijkheid voor gehandicapten, een efficiënt computernetwerk, etc.

Zonder in een soort gevelfanatisme te vervallen moest van binnenuit worden gewerkt om alle ruimten op de beste manier te herstructureren. Dankzij het glazen dak over de twee binnenplaatsen werd het grote gebouw in de vorm van een omgekeerde E voorzien van atria, verkeers- en ontspanningszones en wandelgangen. Er werd een esthetische en praktische scheiding aangebracht tussen de ruimten die voor intern 'privé-gebruik' zijn bestemd (kantoren, technische ruimten, …) en de voor het publiek toegankelijke afdelingen. Maar de eigenlijke uitdaging bestond erin een amfitheater te bouwen dat boven het geheel uitsteekt zonder de hoogte van het gebouw te wijzigen. Deze is namelijk onherroepelijk vastgelegd voor alle onder monumentenzorg geplaatste gebouwen van de Koninklijke Wijk. De oplossing moest in een tussenverdieping worden gezocht. Deze kwam tot stand door een wijziging van het centrale volume, waardoor een amfitheater tussen de 3e en de 4e verdieping werd ingelast. Dit was de belangrijkste wijziging van het uiterlijk van het gebouw, want hiervoor moest de 4e verdieping aan de achterkant worden uitgebreid om plaats te maken voor technische ruimten en een uitgang die het amfitheater met 2 noodtrappen verbindt.

Na een 21 maanden durende bouwperiode heeft het Parlement van de Franstalige gemeenschap Wallonië-Brussel op 27 september 2001 zijn nieuwe woning symbolisch ingewijd. Het resultaat wordt door iedereen een succes genoemd. A.2R.C werd trouwens op de MIPIM in Cannes met een Award voor de verbouwing van een oud pand tot kantoorgebouwen beloond.

Zo beschikt het Parlement eindelijk over een eigen amfitheater, moderne commissiezalen, waarvan er een in de gerestaureerde historische salons ligt, ontvangstzalen en vergaderzalen. Het is fier een mooi complex te kunnen tonen aan parlementsleden, binnenlandse politici of buitenlandse afvaardigingen, het publiek dat vaak tot het gebouw wordt toegelaten en de pers. Het wil ook onderdak verschaffen aan literaire evenementen en speciaal voor de gelegenheid bestelde hedendaagse kunstwerken zullen binnenkort permanent worden geïnstalleerd. Maar vóór alles is dit gebouw de zetel van een instelling met een eigen geschiedenis, specificiteiten en bevoegdheden.

Van een eenheidsstaat naar een federale staat - De geboorte van een gemeenschap.

Kort na de revolutie van september 1830 heeft de Belgische staat een fundamenteel handvest opgesteld: een grondwet die op 7 februari 1831 werd afgekondigd en die noodzakelijkerwijs de ideeën uit die tijd weerspiegelt. Geleidelijk aan verschijnen echter de eerste tekenen van een scheiding tussen het noorden en zuiden van het land. De twee gemeenschappen groeien steeds verder uit elkaar.

Van alle voorgestelde oplossingen vormen de taalwetten een eerste poging om de gemeenschappen met elkaar te verzoenen. In de wet van 8 november 1962 wordt de taalgrens vastgelegd en worden de provincie-, arrondissements- en gemeentegrenzen dientengevolge aangepast. Zo wordt het land in vier taalgewesten ingedeeld: drie eentalige gewesten (de Franstalige, Nederlandstalige en Duitstalige gewesten) en een tweetalig Brussels hoofdstedelijk gewest.

Personen die langs de taalgrens wonen, genieten van zogenaamde 'taalfaciliteiten' die het samenleven van Franstaligen en Nederlandstaligen enerzijds en van Franstaligen en Duitstaligen anderzijds moeten vergemakkelijken.

Het zoeken naar een coëxistentie van de grootste twee gemeenschappen kan in vijf hoofdfasen worden samengevat.

Door de grondwetsherziening van 24 december 1970 worden de beginselen van het federalisme ingevoerd en drie culturele gemeenschappen (Frans-, Nederlands- en Duitstalige) en drie gewesten (Vlaamse, Waalse en Brusselse) erkend.

Vervolgens wordt door de wetten van augustus 1980 de autonomie van de Gemeenschappen en Gewesten vergroot.

De institutionele hervorming van 8 augustus 1980 werd door de bijzondere wet van 8 augustus 1988 gewijzigd. Voor de gemeenschappen kwam deze fase hoofdzakelijk neer op een sterke uitbreiding van de bevoegdheden, met name de decentralisatie van het onderwijs, de jeugdbescherming, de audiovisuele reclame en de overheidssteun aan de pers. Bovendien wordt de financiering voortaan op objectieve criteria gebaseerd, waarbij een evenredig bedrag van de belasting van natuurlijke personen, het kijk- en luistergeld en de BTW wordt toegewezen.

In 1993 wordt door de inlassing en wijziging van een reeks grondwetsartikelen en de invoering van bijzondere en gewone wetten op 16 juli 1993 de federale structuur van de staat voltooid. Deze nieuwe hervorming wil met name in de Belgische staat en zijn verschillende componenten de nadruk leggen op de kenmerkende eigenschappen waardoor een staat 'federaal' kan worden genoemd.

De akkoorden van Lambermont (oktober 2000) en Sint-Polycarpus (januari 2001) ten slotte gaan enerzijds over een herfinanciering van de gemeenschappen en een uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten en anderzijds over een overdracht van diverse bevoegdheden naar de gemeenschappen en gewesten.

De Franstalige gemeenschap van België – Organen, bevoegdheden en middelen.

Het Parlement van de Franstalige gemeenschap Wallonië-Brussel is de representatieve vertegenwoordiging van de Franstalige bevolking van het Waalse gewest en van de Franstaligen van het Brussels hoofdstedelijk gewest. Het bestaat uit 75 afgevaardigden die tot Waalse parlementsleden worden verkozen en uit 19 leden die door de Franstalige groepering van de Raad van het Brussels hoofdstedelijk gewest intern worden verkozen. Al deze leden worden voor een periode van 5 jaar verkozen. Het aantal afgevaardigden kan in het kader van de constitutieve autonomie van de gemeenschappen worden herzien, waarbij dezelfde verhouding tussen Walen en Brusselaars in acht moet worden genomen.

Het Parlement deelt de decretale macht met de regering van de Franstalige gemeenschap. Het beschikt over een initiatiefrecht en oefent de wetgevende macht uit door besluiten te stemmen. Het onderzoekt en keurt ieder jaar het budget van de gemeenschap goed. Naast het stemmen van besluiten verkiest het Parlement de leden van zijn regering en oefent een politieke controle op deze regering uit.

De communautaire bevoegdheden kunnen in 5 gebieden worden ondergebracht, die zowel onderwijs als opleiding en wetenschappelijk onderzoek, culturele zaken, gezondheid en sociale bijstand, bescherming van de Franse taal en buitenlandse betrekkingen omvatten.

Om in zijn onderhoud te voorzien en diverse opdrachten tot een goed einde te brengen, heeft de Franstalige gemeenschap geldmiddelen nodig. De financieringsmechanismen van de gemeenschappen steunen op de grondwet en op de bijzondere wet van 16 januari 1989 op de financiering van de gemeenschappen en gewesten. Deze wet werd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 gewijzigd.

De inkomsten van de gemeenschap komen dus uit het deel van de belastingen dat door de federale staat wordt toegewezen, uit het kijk- en luistergeld, uit de bijdrage van de federale staat aan de financiering van het universitair onderwijs dat aan buitenlandse studenten wordt verstrekt, uit diverse inkomsten zoals de verkoop van publicaties, toegangskaartjes van musea, inschrijvingsrechten, schenkingen en legaten, de opbrengst van de verkoop van scholen of uit leningen.

Wat zijn uitgaven en inkomsten betreft, heeft de Franstalige gemeenschap herhaaldelijk met zware begrotingsevenwichtsproblemen te kampen gehad.

Dankzij de laatste twee hervormingen, die met de akkoorden van Sint-Polycarpus en van Sint-Bonifatius werden beëindigd, kan de Franstalige gemeenschap op financieel gebied de toekomst met meer vertrouwen tegemoet zien.

De Polycarpusakkoorden hebben tot de invoering van de bijzondere wet van 13 juli 2001 op de herfinanciering van de gemeenschappen en de uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten geleid. Deze hervorming heeft ten doel de financiering van de Nederlandstalige en Franstalige gemeenschappen structureel aan te passen om de dynamiek van hun geldmiddelen te verbeteren.

Door de akkoorden van Sint-Bonifatius worden de begrotingsmarges waarover de Franstalige gemeenschap beschikt over de komende tien jaren gespreid dankzij de financiering die door de akkoorden van Sint-Polycarpus werd verkregen en de overgangspremie die door het Waalse en Brusselse gewest werd vrijgemaakt. De bewoordingen van dit onder Franstaligen gesloten akkoord werden vertaald in het besluit van 12 juli 2001 dat streeft naar een verbetering van de materiële toestand in het lager en voortgezet onderwijs.

De akkoorden van Sint-Polycarpus leggen de bakens van de begroting van de Franstalige gemeenschap voor de komende tien jaren vast. De regering heeft besloten de huidige en toekomstige begrotingen in een intern stabiliteitsprogramma op te nemen. Een specifiek fonds, 'Fonds Écureuil de la Communauté française' [Spaarfonds van de Franstalige gemeenschap] genoemd, dat uit een deel van zijn herfinanciering bestaat, heeft ten doel de toekomst van de begroting van de Franstalige gemeenschap door het aanleggen van geldvoorraden veilig te stellen om te voorkomen dat het totale financieringsbedrag dat door de federale staat wordt toegewezen onmiddellijk structureel wordt besteed.

Uittreksel van het boek  «Het Parlement van de Franstalige Gemeenschap van België - Het Parlement van de franstaligen van Wallonië en Brussel» uitgegeven door Editions «La Renaissance du Livre», in Doornik